Halve kameel (een column van een leerling)

Sinds kort doe ik aan yoga. Net als elke vrouw van in de 30 zoek ik immers balans, tijd voor mezelf, rust in de drukte en een manier om de driehoek vaatwasser – laptop – uitgestelde klusjes wekelijks even te doorbreken. Gelukkig woont bij mij om de hoek de Ideale Yogalerares. Ze is in de vijftig, zelfstandig coach van beroep en heeft een uitstraling alsof ze
alles wel weet en het chaotisch rondjes rennen door het leven al zeker vijftien jaar achter zich heeft gelaten. Haar yogastudio weet ze ook nog moeiteloos te combineren met een eigen bed &breakfast, kippen in de tuin en een levensritme dat ze aanpast aan de seizoenen. Kortom: een en al ying en yang.

Wanneer we met z’n achten op woensdagavond op een matje op haar zolderkamer neerstrijken, begint het grote ontspannen. Maar niet nadat we alle acht, nog uithijgend van de te haastig weggewerkte spaghetti en wéér die verdomde vaatwasser, hebben verteld hoe ons lijf er aan toe is vandaag. En dat liegt er niet om bij de gemiddelde yogavrouw. Pijnlijke spieren, kramp in de
nek, stress, slaaptekort en zeurende verkoudheden vullen de ruimte.

 

Net als ik denk dat geen Boeddha op aarde raad zou weten met zo veel vrouwenleed bij elkaar, zegt de lerares met zachte stem dat we iets fijns gaan doen. De lente begroeten en iets met onze chakra’s en een open hart. Ik heb ze nog nooit ontdekt bij mezelf, die chakra’s, en een open hart doet me vooral denken aan hele nare operaties. Maar iets fijns doen, daar kwam ik voor, dus ik  doe maar gewoon na wat ze voordoet.

 

De meeste yogabewegingen hebben dierennamen. De eerste lessen moest ik daar behoorlijk aan wennen. Kondigde de lerares aan dat we de hond nodig hadden; wachtte ik tot ze de trap af zou sprinten om het beestje te halen. Niks daarvan: ik werd geacht op handen en voeten te gaan staan met mijn kont zo ver mogelijk de lucht in. Geen hond die er ook maar over zou denken om die pose aan te nemen, maar vooruit.

Laatst maakte ze het nog bonter. Zonder blikken of blozen kondigde ze aan dat we een halve kameel gingen doen. Geen van de dames in het gezelschap gaf blijk van enige verbazing, maar bij mij ging er iets flink mis. Ik moest mezelf met één hand overeind houden en met de andere mijn geproest wegmoffelen om niet van mijn matje te rollen van het lachen. Een halve kameel!
Nadoen! Is dat een kameel op twee poten? Of wellicht een beest met maar één bult? Ik dacht altijd dat dat dan een dromedaris heette, maar in de yoga lagen de zaken kennelijk anders. Dus dapper vouwde ik mijn benen naar achteren, deed iets onbestemds met mijn romp, hinnikte nog wat na en fluisterde toen evenwichtig en reuzemindful: “Namasté”.

Laat een reactie achter